| rfPub contribution - 16-10-2026 |
| door: Judith Kuipéri |
| Homo Faber |
![]() |
| Homo Perfectus 2026 |
Naast de Biënnale vond in september ook de drukbezochte, vierde editie van Homo Faber plaats. Maar liefst 65.000 bezoekers kwamen speciaal daarvoor naar het eiland San Giorgio. Het was een gelikte tentoonstelling van 500 streng geselecteerde ‘artisans‘ en hun ‘craftmanship’. Tja, hoe noemen we dat in het Nederlands? ‘Ambachtslieden’ en hun ‘toegepaste kunst’ of ‘artistiek vakmanschap?’ Het is typerend dat wij hiervoor geen gangbare termen hebben. ‘Ambachtskunst’ klinkt al snel als een folkloristisch, middeleeuws gilde dat gespecialiseerd is in gedecoreerde gebruiksvoorwerpen waarvan het praktisch nut tegenwoordig achterhaald is - of altijd al ontbrak. Wij zijn wel trots op ons (dutch) design, voorwerpen met een kunstzinnige en vooral ook nuttige toepassing. Die objecten zijn ooit ontworpen en als prototype vervaardigd door ontwerpers, om daarna door anonieme fabrieksmedewerkers in grote oplages te worden geproduceerd. We waarderen goed ontworpen, doordachte gebruiksvoorwerpen en omarmen het principe form follows function. Maar craftmanship heeft in onze cultuur niet zulke diepe wortels als in het buitenland, waar het zich meer kan meten met de beeldende kunst. Dat is voelbaar bij Homo Faber. l’Objet pour l’objet In de serene omgeving van het klooster waren 700 objecten tentoongesteld van met name keramiek, riet, hout en glas. Ze riepen bewondering op omdat ze met uitzonderlijke toewijding en vakmanschap zijn gemaakt. De liefde van artisans voor hun materiaal, hun beheersing van de techniek en de perfectie waarin dit resulteert, is zichtbaar. De inspiratie en het vakmanschap leiden weliswaar tot perfectie en esthetiek, maar nergens tot grensverleggende innovaties of nieuwe inzichten. Het is een kunstvorm die puur en alleen naar zichzelf verwijst. Het getuigt van een kunstopvatting die nog het best te omschrijven is als: ‘l’objet pour l’objet’, een hedendaagse variant op het vroeg-negentiende-eeuwse l’art pour l’art. Dit formalisme roept louter bewondering op. De schoonheid en het vakmanschap staan centraal, zonder iets te vergen van de beschouwer. Aan de perfecte vorm en de esthetiek valt niets te ontdekken; het zijn objecten die geen vragen oproepen. Ze verontrusten niet, verwijzen niet naar de buitenwereld en behoeven geen verantwoording of uitleg. Het is een formalisme dat nostalgie en traditie ademt. Lekker ongecompliceerd, gewoon mooi. Maar precies dat maakt de tentoonstelling uiteindelijk betekenisloos.
Het tentoonstellingsontwerp als publiekstrekker Na de ruwe wanden van het Arsenaal en de eenvoudige landenpaviljoens van de Giardini voelt de bezoeker direct: dit is een andere wereld. De presentatiewijze is over de top. Je vraagt je af wat er aan de objecten zelf ontbreekt en wat het decor moet compenseren. Celestiale muziek, mysterieuze duisternis en hier en daar een spotlight. Een rustige stem die met verheven woorden in een steeds opzwepender tempo en volume, het publiek klaarstoomt voor de apotheose. De theatrale presentatie wekt de schijn van verhevenheid en meditatie, terwijl juist die diepgang ontbreekt.
Dit is het tegenovergestelde van de ‘linkse hobby’. Deze vorm van kunst is voor iedereen toegankelijk en het spectaculaire tentoonstellingsontwerp is een attractie op zich. Homo Faber staat hierin overigens niet alleen. Elders in de stad trekt Fondazione Dries van Noten op dezelfde wijze publiek. En dichter bij huis, in Kunsthal Rotterdam is momenteel A Chair and You te bezoeken. De spectaculaire inrichting is van Robert Wilson (1941-2025). Ook hij voegde theatraal licht, geluid en enscenering toe aan de presentatie van sculpturale stoelen. Toegepaste kunst in het Arsenaal Het kan ook anders. Al tien jaar trekken het Victoria and Albert Museum en de Biënnale samen op in het paviljoen ‘Applied arts’. Voor deze editie koos curator Koyo Kouoh (1967–2025) voor de kunstenares Gala Porras-Kim (1984). Haar werk bevraagt de museale richtlijnen voor het behoud en de presentatie van collecties toegepaste kunst. Met haar conceptuele benadering maakt ze de gevolgen zichtbaar van keuzes die musea hierin maken. Het conserveren van museumcollecties is erop gericht om het verval te vertragen. Het verval een halt toeroepen, is onmogelijk. Dit onvermijdelijke verval tansformeert Porras-Kim tot nieuwe kunstvoorwerpen die niet alleen hun betekenis ontlenen aan hun uiteindelijke vorm, maar ook aan de materialen waaruit ze zijn opgebouwd. Bij verval, restauratie en presentatie van objecten komt stof vrij. Mottenvraat reduceert textiel tot stof en bij reinigen of repareren van objecten komt gruis vrij en ook bezoekers laten stof achter. Porras-Kim verzamelde dat materiaal uit een vleugel van het Metropolitan museum, perste het samen tot een blok en stelt dit nu als kunstwerk tentoon. Zo isoleerde ze ook schimmel uit een museumdepot en bracht het aan op een doek. Wat normaal de grootste vijand is van een conservator, hangt nu als een schilderij weer in het museum.
Porras-Kim vergroot uit hoe conservering of presentatie van een collectie, de essentie van museale objecten fundamenteel kan veranderen. Zo toont ze hoe verteerd textiel door een conservator op creatieve wijze is aangevuld, waardoor in het museum niet het oorspronkelijke patroon, maar een herinterpretatie ervan te zien is. Een ander voorbeeld is de manier waarop veel objecten in musea geheel los van hun oorspronkelijke context getoond worden. In het V&A hangen marionetten bewegingsloos in de serene stilte van een museumvitrine: de ziel is eruit, terwijl ze juist zijn gemaakt om te bewegen op de dynamiek van muziek. Voor de Biënnale maakte Porras-Kim fotografische reproducties van deze marionetten. Ze hing ze op aan ijle draden waardoor ze wapperen in de tocht. Bovendien vindt er van tijd tot tijd op de vloer erboven een dansvoorstelling plaats waardoor de poppen meedansen met het ritme van de muziek en het gedreun. De inwerking van licht, tocht, trillingen en beweging worden in de context van musea, geassocieerd met verval. Maar voor marionetten zijn ze juist de elementen die ze weer tot leven te wekken.
Porras-Kim reflecteert ook op objecten die uit de museale collectie zijn verdwenen, bijvoorbeeld als gevolg van afstotingsbeleid of door diefstal. In de tentoonstelling hangen replica’s van keukengordijnen. De oorspronkelijke gordijnen hingen in het huis van een beveiliger van het V&A. In 1954 kwam aan het licht dat hij meer dan 2000 stukken ontvreemd had van zijn werkgever. Een paar meter van gestolen textiel had hij aan zijn vrouw gegeven, die er gordijnen van naaide. Daarnaast is een wand in de expositie gevuld met een immense fotocollage van objecten die door V&A afgestoten zijn. Bij ieder object vraag je je als bezoeker af wat de reden van vervreemden is geweest: verkoop om budgettaire redenen, verval, een dubbeling in de collectie of waren ze in strijd met de moderne museumwaarden? Het resultaat is een expositie die aanzet tot filosoferen over de rol van musea en over de vraag of objecten daar eigenlijk wel op hun plaats zijn, over imperfectie en context. Gala Porras-Kim toont aan dat contemplatie allerminst hoeft te ontbreken op een expositie waarin toegepaste kunst centraal staat. Links
|
| latest news |
| 29-10-2025 |
![]() |
| Kunstenaars elders / Artists elsewhere |
| latest interview: |
| 03-09-2024 |
![]() |
| Linda Selena Boos interviewt Fatima Barznge en Martijn Simons |
| latest article: |
| 16-10-2026 |
![]() |
| Judith Kuipéri: Homo Faber |
| contact |
| stuur ons een e-mail |
| Secretariaat |
| Lloydkade 627 3024 WX Rotterdam |
| Open: |
| alleen op afspraak |
| only by appointment |